Bionieuws

Mens & Maatschappij

‘We moeten onze levende collecties koesteren’

Na veel onzekere jaren slaan botanische tuinen nu de handen ineen. ‘We gaan ons in het Jaar van de Botanische Tuinen beter dan ooit in de markt zetten’, zegt prefect van Hortus botanicus Leiden Paul Keβler.

‘We zijn de hoeders van plantenbiodiversiteit. Op een kleine oppervlakte herbergen we enorme soortenrijkdom, soms van soorten die nauwelijks meer in het wild groeien of te vinden zijn. Neem bijvoorbeeld de vijftien boomsoorten die de Duitse arts Philipp Franz Balthasar von Siebold in 1830 meenam uit China en Japan. Of de gigantische collectie vleesetende bekerplanten, een van de meest kwetsbare plantengeslachten in de wereld. En de Hortus botanicus Leiden staat hierin niet alleen. Ook alle andere botanische tuinen in Nederland hebben ieder een eigen unieke levende collectie die we moeten koesteren en niet zomaar te grabbel moeten gooien.’

Dat zegt de Duitse botanicus en prefect van de Leidse Hortus botanicus Paul Keβler, die 21 april als bijzonder hoogleraar botanische tuinen en botanie van Zuidoost-Azië in Leiden zijn oratie uitsprak. Hij doelt daarmee op het feit dat de afgelopen jaren de universiteiten van Groningen, Nijmegen, Amsterdam en Wageningen hun botanische tuin hebben afgestoten. ‘Blijkbaar hebben we onze relevantie voor nieuw onderzoek en modern onderwijs niet goed over weten te brengen op politici, beleidsmakers en het grote publiek’, zegt Keβler. ‘We moeten onszelf beter in de markt zetten. Daarom bundelen we in het Jaar van de Botanische Tuinen onze krachten met 24 andere horti en zetten allemaal de kroonjuwelen van onze collecties in de schijnwerpers.’

Gevaar
Het grootste gevaar van botanische tuinen is volgens Keβler stilstand. ‘Botanische tuinen zijn van oudsher vrij conservatieve instellingen. Je plant een boompje en pas dertig jaar later heb je een volgroeide boom om mee te pronken. Langetermijndenken is daarom een belangrijk aspect bij de organisatie van een tuin, iets wat meestal niet in het vocabulaire van beleidsmakers voorkomt. Alhoewel dat voor andere tuinen niet goed is uitgepakt, hoeven wij ons gelukkig niet direct zorgen te maken. De bezoekersaantallen stijgen en de Universiteit Leiden heeft altijd het belang van zijn botanische tuin ingezien: de collectie is een bron van onderzoek, onderwijs en vermaak.’

Levend lab
Toch blijft de Leidse Hortus continu vernieuwen, want achteroverleunen is volgens Keβler geen optie. ‘We zijn momenteel bezig met een herinrichting van onze tuin op basis van recent dna-onderzoek dat de verwantschap tussen planten in een nieuw daglicht plaatst. We willen dat mensen als het ware door de evolutionaire tijd heen lopen. Daartoe maken we nu 26 bedden, ieder beplant met nauw verwante soorten, van evolutionair oud naar jong. Het moet echt een levend lab worden, waar studenten, bezoekers en kinderen kennis opdoen en plezier beleven. Dat betekent ook dat we de informatieve borden herzien en alle doelgroepen moeten bedienen. Dat kost allemaal veel tijd, maar is hard nodig om modern en relevant te blijven.’

Onkruid identificeren
Naast de educatieve functie hecht Keβler ook veel waarde aan onderzoek. ‘De wetenschappelijke collecties zijn cruciaal voor het ontdekken en begrijpen van de soortendiversiteit in een regio en brengen evolutionaire ontwikkelingen in kaart. Daarin werken we nauw samen met Naturalis en verschillende universiteiten uit zowel binnen- als buitenland. Zo heb ik nu bijvoorbeeld een PhD-student die kijkt naar de medicinale werking van de stoffen in Phyllanthus. En soms kloppen er ook andere partijen bij ons aan, zoals bijvoorbeeld de Plantenziektenkundige Dienst van het ministerie van Economische Zaken. Die wilde in 2009 weten of er in aardkluiten van geïmporteerde bonsaiboompjes zaden van invasief onkruid zit. Op basis van ons onderzoek naar invasieve exoten is er toen een determinatiesleutel ontwikkeld voor kwekers om het onkruid te identificeren. Dat is leuk, maar ook belangrijk werk.’

Dierentuindirecteur
Eigenlijk wilde Keβler als klein jongetje altijd directeur van een dierentuin worden, maar hij raakte gefascineerd door de plantenwereld door het zomerwerk dat hij in zijn tienerjaren elke zomer deed in een plantenkwekerij in De Bilt. ‘Ik ontdekte daar ontzettend veel over bomen en planten, en leerde tegelijkertijd ook Nederland al goed kennen. Daardoor was de stap om na mijn promotie naar de Leidse Hortus te komen ook minder groot. Bovendien had ik mij ondertussen gespecialiseerd in tropische planten, en Leiden is dan de beste plek als je wilt werken met soorten uit Indonesië en Zuidoost-Azië. En hoewel ik geen dierentuindirecteur ben, heb ik ondertussen als prefect ook wat dieren onder mijn hoede, waaronder parkieten en bijen’, vertelt Keβler glimlachend.

Kroonjuwelen
Voor het Jaar van de Botanische tuinen ligt er volgens Keβler veel in het verschiet. ‘We gaan echt de handen ineen slaan. We willen niet één tuin beter maken, maar ons allemaal beter op de kaart zetten. De nadruk ligt daarbij op de tentoonstelling Kroonjuwelen, waarin elke tuin zijn vreemdste, mooiste, meest bedreigde en verrassende planten in de spotlight zet. Maar er komt ook een app, een nieuwe overkoepelende website, een postzegelboekje, een social media-offensief, en een boek over de geschiedenis en karakter van de tuinen: Botanische tuinen in Nederland. Daarnaast organiseren alle 25 deelnemende tuinen zelf allerlei activiteiten. Vroeger moesten de mensen zelf naar ons toe maar nu komen wij naar de mensen toe!’