Bionieuws

Plant & Dier

Vorm van vogeleieren

Een meeuwkuiken staat op het punt uit te komen. Detail foto Mary Caswell Stoddard, Princeton University

Eieren van Australische zangvogels zijn vooral bolvormig in open nesten in een hete omgeving en meer langwerpig ovaal in koepelvormige nesten in een vochtige en schaduwrijke omgeving. Dat concluderen Australische onderzoekers op basis van vormanalyses bij 310 zangvogelsoorten (Scientific Reports, 7 maart 2018). Hun bevindingen suggereren dat klimatologische omstandigheden een sleutelrol spelen in de evolutie van de eivorm van zangvogels. Vorig jaar verscheen nog onderstaande megastudie die de eivorm vooral toeschrijft aan het vliegvermogen van de betrokken vogelsoort.

Uilen leggen bolronde eieren, waadvogels puntig ovale eieren en kolibries ellipsvormige eieren. Een variatie in eivorm die wetmatigheden kent, zo blijkt uit een megastudie aan bijna vijftigduizend eieren van 1400 vogelsoorten (Science, 22 juni 2017). ‘Wij ontdekten dat vliegen invloed heeft op de eivorm’, stelt de Amerikaanse evolutiebioloog en eerste auteur Mary Caswell Stoddard van Princeton University. ‘Vogels die goed kunnen vliegen, leggen vooral asymmetrische of ellipsvormige eieren. Voorts suggereren we dat het rekbare eiermembraan, en niet de harde schaal, verantwoordelijk is voor de natuurlijke diversiteit in eivormen.’

Eivorm
In het onderzoek zijn maar liefst 49.175 verzamelde vogeleieren aan tal van analyses en modelstudies blootgesteld. Zo is de mate van asymmetrie en ellipsvorm vastgesteld en de morfometrische variatie in kaart gebracht. Een biofysisch model simuleert vervolgens alle eivormen met twee basisfactoren van de eileg: de dikteverdeling van het omhullende eimembraan en de mate waarin het ei wordt opgepompt aan het eind van de reis door de eileider. Tenslotte zijn de morfometrische eigenschappen van eieren systematisch gerelateerd aan de leefwijze van vogels en omgeving- en nestfactoren als dieet, nesttype en legselgrootte. Asymmetrie en ellipsvorm van eieren blijkt dan significant gecorreleerd aan de hand-vleugelindex, een maat voor vliegefficiëntie en stroomlijning van vogels. Hoe groter deze index hoe minder rond het ei.

Variatie in asymmetrie en ellipsvorm van eieren van 1400 vogelsoorten. Beeld: L. Mahadevan - Museum of Vertebrate Zoology - Berkeley

‘Mogelijk hebben gestroomlijnde vogels smallere eieren nodig die zijn afgestemd op hun nauwere bekken’, stelt de Britse evolutiebioloog Claire Spottiswoode in een begeleidend perspective. ‘De enige manier om een kuiken in een smaller ei te passen is door het ei langer te maken, met elliptische of asymmetrische eieren als resultaat.’ De Britse eierdeskundige Tim Birkhead is laaiend enthousiast. ‘Een grensverleggend onderzoek – indrukwekkend in reikwijdte en omvang’, mailt hij. ‘Het verband met vliegen lijkt verstandig en intuïtief, hoewel gegevens van niet-vliegende soorten wel vragen oproepen’, aldus Birkhead. In de brede aanpak schuilt volgens hem wel het risico dat juist individuele soortverschillen verborgen blijven. ‘Zij stellen bijvoorbeeld dat puntige eieren van waadvogels, zoals snip en wulp, niet gerelateerd zijn aan legselgrootte. Wat volgens mij wel het geval is, vanuit het idee dat een legsel met vier puntige eieren het broeden maximaliseert.’

Zie ook: De evolutie van het ei (Bionieuws 6, 26 maart 2016)

Dit artikel verscheen in Bionieuws 12 van 1 juli 2017