Bionieuws

Plant & Dier

Oerbos werpt licht op laatste ijstijd

Een van de 13.000 jaar oude dennenbomen. Door de zandlaag erboven zijn ze goed bewaard gebleven.

Tijdens graafwerkzaamheden op landgoed Den Treek-Henschoten bij het Utrechtse Leusden zijn de resten van 160 dennenbomen gevonden van dertienduizend jaar oud. Dat werd 5 maart bekendgemaakt tijdens het radioprogramma Vroege Vogels op NPO Radio 1. De vondst is zo uniek dat wetenschappers van maar liefst zeven Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten werken aan de analyse en datering van de bomen en aardlagen. De gemeenschappelijk inspanning moet resulteren in een nauwkeurige reconstructie van de plotselinge en ingrijpende klimaatveranderingen die tegen het einde van de laatste ijstijd plaatsvonden.

Poolwoestijn
‘Het oerbos stamt uit een relatief warme periode tijdens de laatste ijstijd, het zogenaamde allerød interstadiaal’, vertelt Wim Hoek, fysisch geograaf aan de Universiteit Utrecht en betrokken bij het project. ‘Vlak daarvoor was Nederland door de lage temperaturen nog een soort poolwoestijn en daardoor extreem zanderig. Maar toen de temperatuur eenmaal steeg, veranderde het landschap. Eerst zorgde lage begroeiing voor het vastleggen van de zanderige vlaktes, waarna bos- en veenvorming plaatsvond. Eerst kwamen berken, gevolgd door dennen, waarvan nu voor het eerst 160 bomen zijn teruggevonden.’

Dennenfase
De dennenfase tijdens de allerød-periode duurt ongeveer 250 tot 300 jaar, maar daarna verandert het klimaat opeens abrupt en ingrijpend. Hoek: ‘Aan het einde van die relatief warme periode kelderde de temperatuur plotseling voor een periode van meer dan 1000 jaar totdat 11.700 jaar geleden de huidige holocene warme periode aanbrak. In het staartje van die laatste ijstijd veranderde Nederland daardoor tijdens de zogenaamde jonge-dryas-periode weer in een zanderige vlakte. Dat heeft het bos waarschijnlijk niet overleefd, en dat zie je mooi terug in de aardlagen: vlak boven de veenlaag met de dennenbomen ligt een dikke zandlaag waardoor de dennen zo goed bewaard zijn gebleven. In die zandlaag, vlak boven de dennenbomen, vonden we ook bladresten van dwergberk, een typisch arctische soort.’

De oudste boomresten die ik tot nu toe in mijn laboratorium onder ogen kreeg stamden uit rond 6300 voor Christus.

Wetenschappers discussiëren al geruime tijd over de oorzaak van de plotselinge temperatuurdaling tijdens de jonge-dryas-periode. De meest gangbare hypothese is dat koud en zoet smeltwater van de Noord-Amerikaanse ijskap in de Atlantische Oceaan terechtkwam en de warme golfstroom tijdelijk stillegde; een scenario dat zich mogelijk door smeltende ijskappen in de toekomst kan herhalen.

Klimaatreconstructies
‘Klimaatreconstructies van de jonge-dryas-periode gebeurde tot nu toe aan de hand van fossiele stuifmeelkorrels’, legt Esther Jansma uit, dendrochronoloog aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Universiteit Utrecht, en tevens betrokken bij de analyse van de boomresten. ‘Dat geeft een goed beeld, maar lang niet zo nauwkeurig als wanneer je boomresten hebt. Met deze ontdekking kunnen we opeens voor elk seizoen nauwkeurig achterhalen wat de omstandigheden waren waarin deze bomen groeiden, en of er dus inderdaad sprake was van zo’n abrupte klimaatverandering.’

Boomringen
Jansma doet dat aan de hand van de boomringen. ‘Er moet nog veel geanalyseerd worden, maar we zien nu al dat de breedte van de buitenste boomringen plotseling sterk afneemt, wat wijst op een abrupte verandering in het milieu aan het begin van de jonge-dryas-periode. Het is wat dat betreft echt een spannende ontdekking, zeker als je bedenkt dat de oudste boomresten die ik tot nu toe in mijn laboratorium onder ogen kreeg uit rond 6300 voor Christus stamden.’