Bionieuws

Onderwijs & Werk

Het eindexamen op de schop

Flickr © Jorge Palanca

De examinering moet anders: flexibeler, met meer betrokkenheid van docenten, en minder druk op het centraal examen. ‘Past het eindexamen bij het onderwijs, of past het onderwijs bij de examens?’

'De examinering in het voortgezet onderwijs is toe aan een herijking. De huidige examensystematiek beperkt de diepgang in het onderwijs en sluit niet goed meer aan bij het vervolgonderwijs en de eisen die de maatschappij stelt', dat stelt de vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs (VO-raad) in een rapport dat de raad eind maart naar buiten bracht. Volgens de VO-raad wordt de huidige examensystematiek gekenmerkt door een grote mate van inflexibiliteit en leidt de opzet tot teaching to the test.

Oefenen
‘Docenten zijn niet langer bezig met het onderwijzen van de inhoud, maar laten de leerlingen vooral oefenen met de technische kant van het examen-maken. Het examen is een doel op zichzelf geworden, in plaats van een middel om in kaart te brengen of een leerling klaar is voor de vervolgstap’, zegt Frans Droog, docent biologie en aangesloten bij de werkgroep CE-SE die zich bezig houdt met een nieuwe opzet het centraal examen (CE) en schoolexamen (SE).

In het pleidooi, dat aardig wat stof heeft doen opwaaien, komt de VO-raad met een aantal punten die anders moeten. De raad wil een grotere betrokkenheid van docenten bij het ontwerp van het centraal examen, een grotere flexibiliteit in examinering en de mogelijkheid tot maatwerk, minder nadruk op het centraal examen en een bredere toetsing van alle opgedane vaardigheden in het schoolexamen.

Schoolexamens bestaan voor een groot deel uit oude examenopgaven, terwijl het schoolexamen juíst de ruimte geeft om ook andere kennis en vaardigheden te toetsen'

‘In zijn algemeenheid kun je stellen dat het centraal examen volgens de meeste biologiedocenten past bij hun onderwijs. Maar anderzijds kun je daar ook uit concluderen dat het onderwijs juist past bij de examens en dat de constatering van de VO-raad dat het verworden is tot teaching to the test deels klopt’, bioloog Herman Schalk, leerplanontwikkelaar natuur en techniek bij nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling SLO. ‘Schoolexamens bestaan voor een groot deel uit oude examenopgaven en bevatten voor een groot deel CE-stof. En dat terwijl het schoolexamen juíst de ruimte geeft om ook andere kennis en vaardigheden te toetsen’,

Verlegenheid
De nadruk op het centraal examen kan volgens de VO-raad worden beperkt door het schoolexamen zwaarder mee te laten tellen. Een passend idee, maar eigenlijk is de ruimte waar de VO-raad om vraagt er al: deze wordt door docenten alleen te weinig benut. De reden? ‘Het is mogelijk een soort verlegenheid. Docenten willen wel, maar weten niet goed hoe. En dat is niet raar, want het is erg lastig om goede schoolexamenvragen te maken, zeker als het om alternatieve toetsvormen gaat. In de lerarenopleiding zou hier meer aandacht aan besteed mogen worden’, zegt Schalk. ‘Leraren zoeken nu bijvoorbeeld vragen op in een itembank, zoals die van de Nederlandse Vereniging voor Onderwijs in de Natuurwetenschappen (NVON) waar alle examenvragen vanaf 1980 in te vinden zijn. Deze vragen vormen voor veel docenten gangbaar examenmateriaal, terwijl de vraagstelling eigenlijk uit de tijd is. Er zit te weinig context in en richt zich te veel op de details in plaats van op het grote geheel’, aldus Schalk.

‘Docenten weten wel dat veldwerk, onderzoek uitvoeren en proefjes doen prima onderdeel kunnen zijn van het schoolexamen, maar de druk van de schoolleiding om goede examenresultaten te behalen ligt soms hoog. Leraren oefenen daarom liever nog een keer meer voor het centraal examen’, merkt ook Dirk Jan Boerwinkel op, voorzitter van de vaststellingscommissie voor centrale examens bij het College voor Toetsen en Examens (CvTE).

Schrappen
Niet alleen aan de weging mag volgens de VO-raad worden gesleuteld, ook de verdeling van de eindtermen kan beter. Voor biologie op havo en vwo geldt dat 60 procent van de eindtermen in het centraal examen wordt getoetst en de andere 40 procent in het schoolexamen. ‘Maar iedere docent weet dat niet iedere eindterm hetzelfde inhoudt: de ene term omvat meer stof dan de andere. Het is voor docenten lastig om alle beoogde examenstof binnen het beperkte tijdsbestek te behandelen. De meeste docenten schrappen daarom practica, contexten en groepswerk of beknibbelen op de behandeling van SE-stof’, aldus Schalk.

De raad is van mening dat een modulaire afname van examens grote flexibiliteit en meer mogelijkheid tot maatwerk biedt. Zowel Schalk als Boerwinkel zien dat niet helemaal zitten. ‘In het pleidooi spreekt men zich tegen: de raad ziet graag een modulaire afname, maar tegelijkertijd ook een betere samenhang tussen de eindtermen. Dat bereik je niet wanneer je de stof in stukjes opknipt’, is Schalk van mening. ‘Juist die samenhang is wat we graag willen, zeker bij een vak als biologie. Zo worden de vragen nu ook gesteld: leerlingen moeten binnen een context van het ene domein naar het andere kunnen springen’, zegt Boerwinkel.

'Het is lastig om voor iedere vraag weer een nieuwe context te verzinnen waarbij de leerling zijn biologische kennis in brede zin kan toepassen.'

Een andere manier om de flexibiliteit van de examens te verhogen is het introduceren van meerdere afnamemomenten per jaar. ‘Als het moet dan kan het, maar simpel is het niet’, merkt Boerwinkel op. Volgens hem komt het opstellen van examenvragen voor een vak als biologie zeer nauw. ‘Het is lastig om voor iedere vraag weer een nieuwe context te verzinnen waarbij de leerling zijn biologische kennis in brede zin kan toepassen. Deze vragen kun je niet zomaar in een toetsenbank opnemen, in tegenstelling tot kennistoetsen met meerkeuzevragen, waarbij weinig van de cognitieve vaardigheden wordt gevraagd.’

Betrokken
‘Docenten hebben het gevoel dat ze niet voldoende betrokken worden bij de ontwikkeling van het centraal examen. Juist die betrokkenheid zorgt voor een breed draagvlak en vergemakkelijkt de implementatie van een vernieuwde examinering. Gelukkig wordt daar door het CvTE nu al iets aan gedaan’, zegt Droog. Boerwinkel bevestigt dit: ‘Het CvTE test de mogelijkheid om docenten zowel in de periode voorafgaand aan de examens als nadien de kans te geven om examenvragen te evalueren en veranderingen aan te brengen in het correctiemodel. In beperkte vorm gebeurt dit al bij biologie-examens: kort na afname komen de NVON-kringvoorzitters bijeen om de examens te evalueren en eventuele aanvullingen te doen op het correctievoorschrift.’

Dit artikel verscheen 28 april in Bionieuws 8