Bionieuws

Nomen est Omen

De oneindige kabeljauw

Gadus morhua

De kabeljauwstand voor de kust van New England staat op punt van instorten, meldt Science van 29 oktober. Volgens Amerikaanse onderzoekers is dat deels te wijten aan de opwarming van het water ter plekke in de afgelopen tien jaar: volgens hun berekeningen 99 procent sneller dan op andere plekken op de wereld. Vrouwtjeskabeljauwen paaien daardoor minder, met alle dramatische gevolgen van dien voor de visstand.

Het is zeker niet de eerste keer in de geschiedenis dat de ooit zo talrijke kabeljauw te maken heeft met stevige achteruitgang. De warme menselijke belangstelling voor de vis blijkt al uit zijn wetenschappelijke naam. Gadus komt van gados, oud-Grieks voor vis, morhua stamt van het Latijnse woord voor kabeljauw morua. De eerste echte hartstochtelijke kabeljauweters, schrijft de Amerikaanse journalist Mark Kurlansky in zijn biografie De kabeljauw uit 1997, waren de Noormannen. Die slaagden er rond het jaar 1000 in vijf keer Amerika te bereiken op een rantsoen van keiharde, gevriesdroogde kabeljauw. ‘Ze braken er stukjes vanaf om op te kauwen en aten de vis als scheepsbeschuit’, schrijft Kurlansky.

De eerste commerciële kabeljauwvissers waren evenwel de Basken, die in de Middeleeuwen dankzij de beschikbaarheid van zout de vis nog langer houdbaar maakten. Kabeljauw was goed en goedkoop voedsel, en het katholieke Europa had door een overschot aan vastendagen grote behoefte aan vis.

Doorheen de wereldgeschiedenis bleef de verduurzaamde kabeljauw een cruciale rol vervullen in voedselvoorziening aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. De vangsten groeiden, de aantallen leken oneindig. Tot in de negentiende eeuw, schrijft Kurlansky, heerste algemeen het onwrikbare geloof in de kracht van de ontembare natuur. Dat de vangstsuccessen eerder toe te schrijven waren aan verbeterde vistechnieken, was een notie die slechts langzaam gemeengoed werd.

Uiteindelijk maakten stoommachine en invriestechnieken nóg grootschaliger kabeljauwvangsten mogelijk. Tot diep in de twintigste eeuw groeiden de opbrengsten, tot met name de westelijke populatie dramatisch instortte en Noord-Amerikaanse kabeljauwvissers nauwelijks nog wat kónden vangen. Aan de Europese kant van de oceaan beleefde de kabeljauwstand na de Tweede Wereldoorlog nog een laatste opleving, waarna fanatiek overbevissen ook deze populatie decimeerde. Vangstquota houden tegenwoordig beide populaties vitaal, zolang warme golfstromen geen roet in het eten gooien.

<pstyle:>