Bionieuws

Ecologie & Evolutie

Bosfragmentatie stuurt biodiversiteit

Dit Javaans schubdier wordt in zijn voortbestaan ernstig bedreigd door het leven in bosrandgebied. Foto: Chi'in C. Lee

Bosfragmentatie zorgt voor een wereldwijde afname in biodiversiteit en ecosysteemfuncties, schrijft een internationaal team biologen 1 november in Nature. De talrijkheid van 85 procent van alle gewervelde diersoorten blijkt onderhevig aan de effecten van bosfragmentatie, met name door de veranderende microklimaten aan de randen. De biologen menen dat bosrandeffecten daarom minstens net zo veel impact hebben op biodiversiteit als hoeveelheid beschikbaar habitat.

Beschutting
De wereldwijde toename van wegennetwerken, houtkap, wildvuur, jacht en andere menselijke activiteit heeft er de afgelopen decennia voor gezorgd dat er relatief steeds meer bosranden ontstaan. Momenteel ligt naar schatting 50 procent van alle bossen binnen 500 meter van een bosgrens. In zo’n gebied neemt doorgaans de kroonbedekking en luchtvochtigheid af, loopt de temperatuur op, en is er minder beschutting tegen de zon. Diersoorten kunnen zowel zowel positief als negatief reageren op dergelijke veranderingen.

Alhoewel er veel lokale studies zijn gedaan naar het effect van bosfragmentatie op de talrijkheid van soorten, bundelen de biologen nu voor het eerst al deze studies om een mondiaal beeld te schetsen van het probleem. Daartoe evalueren ze de impact van bosfragmentatie door menselijk toedoen op de talrijkheid van 1673 soorten zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën van over de hele wereld.

Kwetsbaar
Zoogdieren komen er in de analyse het slechts vanaf: 57 procent van alle zoogdiersoorten vertoont in bosrandgebieden een sterke achteruitgang, gevolgd door amfibieën met 41 procent, reptielen met 30 procent en vogels met 11 procent. Bij de zoogdieren blijken vooral de middelgrote soorten het meest kwetsbaar. Dat komt waarschijnlijk doordat ze vanwege hun grootte wel een flinke energiebehoefte hebben, maar niet groot genoeg zijn om zich over lange afstanden te verspreiden. Bij amfibieën zijn juist de kleine soorten kwetsbaar, vermoedelijk vanwege lagere luchtvochtigheid in bosrandgebieden. En bij reptielen delven de grootste soorten het onderspit vanwege oververhitting door overmatige blootstelling aan de zon.

Claim
Toch komen lang niet alle soorten komen er slecht vanaf. Terwijl bijvoorbeeld Javaans schubdier (Manis javanica) en Bairds tapir (Tapirus bairdii) ernstig bedreigd worden door het leven in bosrandgebied, profiteren juist de invasieve soorten wolf (Canis lupus), groene leguaan (Iguana iguana) en boa constrictor (Boa constrictor) ervan. De biologen waarschuwen dat gemeenschappen in bosrandgebieden nog maar weinig weg hebben van de diergemeenschappen in boskernen, en dat belangrijke ecosysteemfuncties aan de bosranden verdwijnen.

Overdreven
‘Een gedegen, betrouwbare en vernieuwende studie die bevestigt wat we eigenlijk in grote lijnen al wisten, maar nu voor het eerst in mondiale patronen blootlegt’, licht de Wageningse bosecoloog Pieter Zuidema toe. ‘Toch vind ik de claim dat het hier om wereldwijde patronen gaat wat overdreven. Tropische bossen zijn in deze studie ruimschoots oververtegenwoordigd, dus ik vraag mij af of de patronen standhouden met meer gegevens van gematigde bossen. Bovendien verliezen de auteurs met hun focus op bosranden het grotere plaatje uit het oog. De uitdaging is om te bepalen in hoeverre de onderzochte soorten kunnen overleven in landschappen waarin bossen gefragmenteerd zijn. Op die vraagt geeft deze studie helaas geen antwoord.’

Dit artikel verscheen 4 november in Bionieuws 18