Bionieuws

Mens & Maatschappij

‘Bodemadvies is vrijwel altijd maatwerk’

Lijbert Brussaard: 'Twijfel hoort nadrukkelijk bij de wetenschap.' Foto: Guy Ackermans

Via mestkevers en regenwormen daalde hij af in complexe voedselwebben in de bodem. De Wageningse bodembioloog Lijbert Brussaard pleit voor het op peil brengen en houden van organische stof voor duurzaam bodembeheer.

‘Het verhitte debat over extensiveren óf intensiveren in de landbouw is in wezen onzinnig. Er is niet één oplossing en vaak heb je juist meerdere zoekrichtingen nodig om maatwerk te kunnen leveren voor verschillende situaties. Eenduidige antwoorden zijn uitzonderingen in de wetenschap’, zegt bodembioloog Lijbert Brussaard die donderdag 6 oktober met een symposium en rede afscheid nam van zijn Wageningse leerstoel bodembiologie en biologische bodemkwaliteit. Het is volgens hem, zeker in de opleiding van studenten, nodig de kernwaarden van wetenschap te blijven benoemen: eerlijkheid, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. ‘Het is zorgwekkend als wetenschap gelijk wordt geschakeld met “een mening”. Om respect terug te krijgen moeten we steeds laten zien hoe feiten tot kennis, kennis tot inzicht en inzicht tot conclusies leiden. Twijfel hoort nadrukkelijk bij wetenschapsbeoefening, want we zoeken immers altijd naar wat we nog niet weten’, aldus Brussaard.

‘Het is ook logisch dat de wetenschap verantwoording aflegt aan belastingbetalers, aan de maatschappij’, meent Brussaard. Zijn afscheidsrede houdt hij daarom ook bewust in het Nederlands. ‘Het is prima dat binnen de universiteit Engels de voertaal is, maar aan het begin en eind van je hoogleraarschap is het ook goed als een boer uit de Hoekse Waard het verhaal kan begrijpen.’ Bodemwetenschap zit in de lift, constateert Brussaard. ‘Iedereen erkent nu dat een gezonde bodem aan de basis staat van voedselproductie en andere ecosysteemdiensten.’ De biologische aspecten van bodemkwaliteit waren dertig jaar geleden in Wageningen nog een ondergeschoven kindje. ‘Voor bodemvruchtbaarheid lag toen de nadruk sterk op chemie, vooral op bemesting met fosfaat en stikstof. Toch was er al wel de erkenning dat we te weinig wisten van de rol van het bodemleven’, vertelt Brussaard.

Mestkevers
De aan de Vrije Universiteit opgeleide bodemecoloog met belangstelling voor insecten ging daarom op het Biologisch Station Wijster aan de slag met een Wagenings promotieonderzoek aan mestkevers. ‘Om zich voort te planten graven deze kevers gangen in de grond en transporteren ze mest naar beneden. Dat leidt tot niet alleen tot verplaatsing van organische stof, maar ook tot lokale veranderingen in de bodemstructuur.’ ‘Zelf heb ik mijn onderzoek nooit zozeer laten sturen door problemen, maar eigenlijk vanaf het begin meer door een fascinatie voor het willen begrijpen van bodemvruchtbaarheid’, aldus Brussaard. ‘Grappig genoeg verscheen over mijn promotieonderzoek naar mestkevers in 1985 een paginagroot artikel in De Telegraaf en bijna dertig jaar later een pagina in de Volkskrant. Toch mooi dat twee zo verschillende dagbladen zo de cirkel van mijn loopbaan symbolisch een beetje hebben rondgemaakt.’

Na de mestkevers volgde onderzoek aan andere bodemfauna zoals regenwormen. Inmiddels bestrijkt de huidige onderzoeksgroep ruim dertig onderzoeksprojecten over de rol van het bodemleven in bodem-plant-interacties, bodemstructuurvorming en elementkringlopen. De drie speerpunten zijn bodemvruchtbaarheid, -biodiversiteit en de rol van de bodem in klimaatverandering. ‘Centraal in de bodembiologie staat de organische stof, afkomstig van omzettingen van gewasresten. De bodemorganische stof heeft een belangrijk effect op de bodemstructuur en in het vasthouden en weer afgeven van water en plantenvoedende stoffen. Het teruglopen van het organische stofgehalte leidt tot een afname van alle functies die de bodem heeft. In het algemeen kun je stellen dat het op peil houden van het gehalte organische stof noodzakelijk is voor duurzaam bodembeheer.’ Toch is het volgens Brussaard niet mogelijk eenduidig het ideale gehalte aan organische stof vast te stellen. ‘Dat is afhankelijk van klimaat, grondsoort en landgebruik, dat in de landbouw tot uiting komt in het teeltplan en beïnvloed wordt door grondbewerking en waterbeheer. Een advies is vrijwel altijd maatwerk.’


'Een populair denkbeeld is dat als organismen ergens niet zitten, ze er kennelijk niet kunnen leven. Maar zo simpel is het niet'

Een interessante ontwikkeling om te sturen in het organische stofbeheer en het beter beschikbaar maken van fosfaten is volgens hem het bevorderen van regenwormen. Hiermee experimenteert zijn onderzoeksgroep in de Hoekse Waard. ‘Door grondbewerking en bestrijding ontbreken in veel akkers de pendelende wormen. Dat zijn de wormen die via verticale gangen gewasresten en dus organische stof van het bodemoppervlak naar beneden brengen. Een populair denkbeeld is dat als organismen ergens niet zitten, ze er kennelijk niet kunnen leven. Maar zo simpel is het niet. Toen we op ons proefbedrijf pendelende wormen uitzetten onder voor hen gunstige omstandigheden, zaten ze als snel bijna overal, ook in de proefveldjes die we ter controle juist vrij van pendelaars wilden houden’, vertelt Brussaard. Hij benadrukt dat grondbewerking en bodemverdichting voor bodemfauna een veel ingrijpender probleem vormen dan verontreiniging, ook al moet die niet worden veronachtzaamd. Brussaard: ‘Door te ploegen zet je letterlijk hun hele wereld op de kop.’

Bij gelegenheid van zijn afscheid verschijnt:
Leve(n)de bodem!
Lijbert Brussaard, Francine Govers en Rob Buiter (redactie)
Cahier Biowetenschappen en Maatschappij, oktober 2016
ISBN 9789073196834
Paperback, 88 pagina’s, 7,50 euro