Bionieuws

Ecologie & Evolutie

Bedreiging scholekster komt van alle kanten

Foto: Flickr © Donald Macauley

Het is een ongekende achteruitgang met ontelbare oorzaken. Toch probeert onderzoeksproject CHIRP te achterhalen wat de scholekster nou het hardst treft, en hoe hij gered kan worden.

‘Sinds 1990 gaat de scholekster met zo’n 5 procent per jaar achteruit, dat is echt extreem voor een zo lang levende vogelsoort’, zegt Bruno Ens van Sovon Vogelonderzoek. Hij onderzoekt samen met het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) en de Radboud Universiteit wat het effect van verschillende menselijke invloeden is op de populatie scholeksters in Nederland. Het vier jaar durende project heet CHIRP, Cumulative Human Impact on biRd Populations.

Treurig
Ens schetst een treurig beeld van de vogel die nu nog op tal van plekken te vinden is. ‘Ze broeden op kwelders, dijken en kunstwerken zoals het eiland Neeltje Jans, in het binnenland en zelfs in steden op daken. Maar in vrijwel al deze habitats hebben ze het moeilijk. In het agrarisch gebied gaat het op veel plekken echt dramatisch, van alle weidevogels gaat de scholekster het hardst achteruit. Dat heeft daar onder andere te maken met ontwatering en het vervroegen van de maaidatum. De predatie van nesten en eieren lijkt ook toegenomen. Op de kwelders hebben de vogels steeds meer last van overstromingen tijdens het broedseizoen, mogelijk door klimaatverandering. Ook is daar een belangrijke voedselbron verdwenen door eerdere mechanische schelpdiervisserij en het verdwijnen van mosselbanken. Op plekken waar nu niet meer gevist wordt, is vaak de Japanse oester daarvoor teruggekomen. In de Delta verdwijnen door de stormvloedkering de wadplaten langzaam maar zeker in de geulen, waardoor het voedselgebied in de winter steeds kleiner wordt. Dus er is eigenlijk geen enkel lichtpuntje meer voor dat beestje.’

Bodemdaling
Het onderzoeksproject moet een beeld geven van de precieze rol van deze en nog vele andere bedreigingen die de populatie scholeksters voor de kiezen krijgt, en dan vooral de cumulatieve effecten van die vele factoren. De hoofdfinancier van het onderzoek is NWO’s Toegepaste en Technische Wetenschap, maar ook natuurbeheerders en partijen die direct met de bedreigingen te maken hebben betalen mee, zoals de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en Defensie. Opvallend, maar niet onlogisch. ‘De scholekster is een van de soorten waarvoor de Waddenzee is aangewezen als Natura 2000-gebied, wat bekent dat economische activiteiten geen negatief effect op de populatie mogen hebben’, verklaart Ens de deelname van deze partijen. ‘Gasboringen onder Ameland zorgen bijvoorbeeld lokaal voor bodemdaling, waardoor de kwelders daar niet meegroeien. Dat verhoogt het overstromingsrisico voor de nesten. Een andere partij is de Luchtmacht, die ligt onder vuur vanwege hun oefeningen op de Vliehors, een grote zandplaat bij Vlieland. We willen onderzoeken wat het werkelijke effect van deze bedreigingen en verstoringen op de populatie is.’

‘We proberen een relatie te leggen tussen die verstoringsbronnen en de bewegingen van de scholeksters.’

Zandplaat Vliehors werd afgelopen jaar regelmatig bezocht door promovendus Henk-Jan van der Kolk van het NIOO. Hij onderzoekt de verstoring van met name de overwinterende scholeksters in de Waddenzee. ‘Er zijn heel veel verstorende factoren, naast de NAM en de Luchtmacht bijvoorbeeld ook vissers, zeilers, surfers en wadlopers’, zegt Van der Kolk. ‘We proberen een relatie te leggen tussen die verstoringsbronnen en de bewegingen van de scholeksters.’ Om deze bewegingen vast te leggen, zenderde Van der Kolk een jaar geleden op Vlieland twintig overwinterende vogels. Afgelopen zomer kwamen daar twintig broedvogels bij, die het hele jaar in die omgeving doorbrengen. De zenders maken zo nu en dan contact met vaste antennes op Vlieland en op de noordpunt van Texel, waar de Vlielandse scholeksters regelmatig komen buurten.

‘De gegevens van de vogelbewegingen probeer ik te koppelen aan gegevens over bewegingen van vliegtuigen, vissersvoertuigen en recreanten. Zo moet een beeld verschijnen van de invloed van verstoring’, vertelt Van der Kolk. ’Boten en vliegtuigen maken sowieso gebruik van gps. Die gegevens worden al gestandaardiseerd verzameld. Ook via radarbeelden krijgen we gegevens over verplaatsing van verstoringsbronnen. Wat betreft wandelaars en kleine bootjes proberen we in het veld de effecten te meten.’

Broedsucces
In het voorjaar verspreiden de vogels zich vanuit hun wintergebieden over het land om te broeden, de meeste in het binnenland, een kleiner deel op de Waddeneilanden. De problemen die de steltloper dan ondervindt, worden bekeken door NIOO-collega Magali Frauendorf, die vooral het broedsucces onder de loep neemt. ‘Uit eerder onderzoek is bekend dat de adulte overleving vrij constant is, dus het lijkt waarschijnlijk dat de achteruitgang in de reproductie zit’, aldus Frauendorf. Bedreigingen voor de reproductie die zij bekijkt zijn onder andere die van de moderne landbouw, maar ook predatie wordt meegenomen. Camera’s leggen vast wat bij het nest gebeurt. ‘Afgelopen jaar zagen we vossen, huiskatten, marterachtigen en ook wat kraaien en kiekendieven, eigenlijk een heel palet aan predatoren. Volgend jaar probeer ik van de predatoren die we nu gefilmd hebben dichtheidsschattingen te maken, zodat we die kunnen relateren aan het broedsucces op die plekken.’

Conditie
De onderzoekers vermoeden dat de oorzaak van de slechte broedprestaties ook deels in het wintergebied ligt. ‘Als dieren in de winter moeite hebben met overleven, krijg je een zogenoemd carry-over-effect, waarbij de slechte conditie waarin de vogel uit de winter komt, doorwerkt in het broedsucces’, verklaart Frauendorf. Ze beoordeelde daarom eind van de winter de lichaamsconditie van 280 scholeksters om een verband te kunnen aantonen met het broedsucces van deze individuen. Enige probleem: ze vond er in het binnenland slechts acht terug. ‘Ik ben afhankelijk van meldingen van waarnemers die de ringen aflezen. Ondanks dat er per dag rond de 65 ringen worden afgelezen en ingevoerd, heb ik maar weinig van onze scholeksters kunnen terugvinden op de plek waar ze broeden. Daarom hebben we de groep wat uitgebreid, ik heb ook individuen bekeken die in een straal van 5 kilometer van de onderzochte vogels hebben overwinterd. We gaan ervan uit dat die hetzelfde foerageergebied hadden, dus in eenzelfde conditie verkeerden.’

Spoorloos
Van der Kolk is bij zijn zenderonderzoek evenzeer afhankelijk van waarnemers die ringen aflezen. Wanneer een van zijn gezenderde scholeksters ineens spoorloos is, bijvoorbeeld. ‘De zender van de scholekster kan contact maken met een antenne tot op zo’n 500, hooguit 1.000 meter’, zegt Van der Kolk. ‘Soms ben ik een scholekster daarom heel lang kwijt en krijg ik een melding dat hij bijvoorbeeld ergens bij Harlingen gezien is. Dan kan ik daarheen gaan en proberen met een antenne in de buurt van dat dier te komen.’ Als dat lukt, is vervolgens weer een schat aan informatie beschikbaar. ‘De gps-locaties worden opgeslagen in de zender op het dier. Er is alleen contact nodig met de antenne om die informatie te downloaden.’

'Vroeger moest je daarvoor een brief sturen en hoopte je dat je reactie kreeg. Nu krijg je alles meteen uitgebreid te zien in het veld.'

Om te zorgen dat er meer waarnemingen van geringde scholeksters binnenkomen, is een website gemaakt die het de aflezers zo gemakkelijk mogelijk maakt. Op wadertrack.nl en met de Androidapp BirdRing is na het invoeren van de bewuste code meteen te zien waar het dier geringd en waargenomen is. ‘Dat is toch wat mensen willen weten, wat de geschiedenis is van zo’n beest’, zegt Bruno Ens. ‘Dit maakt het leuk voor waarnemers. Vroeger moest je daarvoor een brief sturen en hoopte je dat je reactie kreeg. Nu krijg je alles meteen uitgebreid te zien in het veld.’ Naast vogelaars proberen Frauendorf en Van der Kolk ook nieuwe groepen vrijwilligers bij het onderzoek te betrekken. ‘Ik wil nu ook weidevogelbeschermers enthousiast krijgen om ringen te melden als ze bijvoorbeeld een markeerstok bij een scholeksternest plaatsen’, zegt Frauendorf. Ook Van der Kolk heeft nieuwe doelgroepen op het oog. ‘Als wadlopers met een gps zouden gaan lopen en deze gegevens willen doorgeven voor het onderzoek, zou ik daar erg blij van worden. Maar het ligt natuurlijk gevoelig, omdat onder andere naar het verstorende effect van hun activiteit wordt gekeken.‘

Model
Uiteindelijk worden alle resultaten van de deelonderzoeken door de Radboud Universiteit verwerkt in een zogenoemd Migratory network population model, waarmee de invloed van de verschillende factoren op de populatie berekend kan worden. Daarmee kan het model ook iets zeggen over een effectieve bescherming, aldus Ens. ‘De bedoeling is dat we dat model kunnen gebruiken om allerlei soorten effectberekeningen te doen. Als je bijvoorbeeld bepaalde landbouwgebieden anders in zou richten, hoe werkt dat dan door? Zo kunnen we bepalen wat de meest kosteneffectieve manier is om het tij te keren.’

Uitdaging
Terwijl het onderzoek vordert, gaat het met de scholekster niet beter. ‘Dit was op alle fronten een extreem slecht broedseizoen’, zegt Ens. ‘Het was een heel droog voorjaar, dan zitten de regenwormen diep en is er weinig voedsel voor de oudervogels. Daardoor kunnen ze ook de jongen weinig geven, ze hebben weinig energie om predatoren te lijf te gaan. Maar dat is toch niet het hele verhaal, want ook de kustvogels hebben het slecht gedaan, dus het kan ook komen doordat ze slecht de winter uit gekomen zijn. Dat zijn nou de dingen waar we een vinger achter proberen te krijgen in dit onderzoek, wat wel heel moeilijk is omdat er dus zo ontzettend veel factoren een rol spelen. Nog een grote uitdaging dus.’

Het onderzoek is te volgen op www.chirpscholekster.nl

Gevolgd
Gps-gegevens van gezenderde scholeksters geven informatie over hun bewegingen in het Waddengebied, maar ook over het trekgedrag naar broedgebieden. Enkele uitzonderingen broeden in Scandinavië. Op hun tocht naar het noorden blijken ze grote hoogtes te bereiken. Tijdens de najaarstrek werd een maximale hoogte van 5.236 meter vastgesteld door de gps-tracker.

Gefilmd
Camera’s bij nesten leggen vast waarmee broedende scholeksters worden geconfronteerd. Naast predatoren is dat ook vee. Scholekster RG-YNBK deed dit jaar in een weiland in Friesland maar liefst vier maal een broedpoging. Camerabeelden van het tweede nest laten zien dat vertrapping door schapen de eieren vernield hebben. De vierde poging was succesvol, al hebben de pullen het niet overleefd. De oudervogels werden enkele dagen later een stuk verderop zonder jongen aangetroffen. Het perceel waar het nest zich bevond, was gemaaid.

Gefotografeerd
De kleur van de snavel zegt mogelijk iets over de conditie van een scholekster. Daarom maakt Magali Frauendorf bij haar metingen van de conditie van scholeksters aan het eind van de winter ook foto’s van de kop in onder gestandaardiseerde lichtomstandigheden. Daarnaast wordt het percentage rode en witte bloedcellen en cholesterol in het bloed bekeken, de onderzoekers bepalen het stresshormoon corticosteron uit de veren. Met deze gegevens hoopt ze een correlatie te vinden tussen de conditie van de vogels en de snavel- en oogkleur.