artikel afdrukken
bionieuws 5, 21-03-2009

achtergrond
Posterbeer spot met klimaatsimplisme

De ijsbeer, het vlaggenschip van global warming, zou uitsterven. In het grootste deel van zijn verspreidingsgebied is de soort echter in aantal toegenomen dankzij jachtbeperking. Op Spitsbergen zijn ijsberen zelfs een plaag.

Door Rypke Zeilmaker
© bionieuws


De ijsbeer loopt op zijn laatste benen, zo luidt de onheilsboodschap van natuurorganisaties en overheid. ‘De ijsbeer is over twintig jaar uitgestorven’, verkondigde het Wereld Natuur Fonds al in 2005 bij Vroege Vogels.

Een veel aangehaald doemscenario over verdwijnende ijsberen komt van Steven Amstrup en George Durner van het Alaska Science Centre. Hun studie uit 2007 voorspelde de ontwikkeling van ijsbeerhabitat op basis van klimaatscenario’s van het VN-klimaatpanel (IPCC). In de media verkondigde Amstrup het zwartste scenario; tweederde van de wereldpopulatie zou in 2050 zijn verdwenen.

De achterliggende redenering is ecologisch ‘van dik hout zaagt men planken’. IJsberen evolueerden uit bruine beren toen het ijs oprukte tijdens ijstijden. Zij specialiseerden zich in de jacht op ringelrobben en baardrobben. Die jacht vindt plaats langs de dunne randen van kust- en zeeijs, waar de zeehonden op vis jagen. De beer, ontstaan door trage evolutie, zou nu de revolutionaire prognoses uit klimaatmodellen voor deze eeuw niet bijbenen. Als de restanten van de laatste ijstijden wegsmelten, is ook het leefgebied van de beer verdwenen. Exit ijsbeer.

Toename
De echte wereld is echter minder simpel dan computermodellen. Op Spitsbergen, waar het Groningse Arctisch Centrum actief is, ontwikkelt de ijsbeer zich tot een ware plaag, zo ervaren de onderzoekers. ‘We overwegen al om ons onderzoek in een aantal delen van Spitsbergen op te schorten omdat er steeds meer ijsberen opduiken’, zegt ganzenbioloog Maarten Loonen van het Arctisch Centrum. ‘IJsberen zijn roofdieren die zich op mensen kunnen specialiseren. Ik werd tot twee keer toe op twintig meter afstand verrast door een ijsbeer en ik kan je vertellen dat dit geen prettige ervaring is. Wat ons betreft zou je beter de walrus kunnen nemen als posterdier van opwarming.’

Spitsbergen, onderdeel van de Noorse Svalbardarchipel, is één van de vele regio’s waar de ijsbeer in aantal toeneemt. De getallen zijn te vinden in het verslag van de bijeenkomst van de IUCN Polar Bear Specialist Group in 2005. Het verslag, door de Noorse bioloog Jon Aars gepubliceerd in 2006, geeft de laatste complete telling waaraan alle bekende ijsbeerbiologen deelnamen. In december komt de groep weer bij elkaar.

De publicatie van Aars, die werkzaam is op het Norwegian Polar Institute, geeft populatieaantallen in negentien regio’s rond de noordpoolcirkel, op basis van tellingen. Het verschil tussen tellingen en modellen is opvallend. Bij ruim eenderde van de bekende populaties zijn de aantallen in de laatste tien jaar toegenomen, in Canada alleen al van tien- naar vijftienduizend. Canada, ’s werelds belangrijkste ijsbeerland, besloot daarom afgelopen jaar de ijsbeer niet langer te kwalificeren als ‘met uitsterven bedreigd’. Wel zou de beer gevoelig zijn voor bedreigingen van menselijke aard, zoals oliewinning en jacht.

De globale trend duidt op een aantalsverdubbeling in dertig jaar naar 25.000 beren. Clarisse Buma, hoofd persvoorlichting van het Wereld Natuur Fonds, verklaart niets over de toename te kunnen zeggen – ook al was ze woordvoerster bij de presentatie van de Arctic Climate Impact Assessment in 2004, die het uitsterven van de ijsbeer voorspelde. De toename vindt al plaats sinds de jaren zeventig, toen Canada de jacht beperkte voor niet-Inuit. De Amerikanen gingen over op een quota-

systeem en schieten jaarlijks nog tachtig beren. In Noorwegen werd ijsberenjacht in 1973 volledig verboden. De Russen verboden de jacht al in 1956 onder het Sovjetregime. Na de slachtingen van vóór de jaren zestig, worden nu wereldwijd nog zevenhonderd ijsberen per jaar geschoten, voornamelijk door Inuit die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het vlees en de huiden, maar ook in het kader van sportjacht.

Local warming
Het beeld van wegkwijnende ijsberen komt van populaties in de Westelijke Hudsonbaai en de Zuidelijke Beaufortzee boven Alaska. Alle global warming-clichés lijken hier samen te komen. In deze regio’s neemt de bedekking met zeeijs sinds de jaren negentig af, vanwege de instroom van warmer zeewater en het langer worden van het zomerseizoen. De populatie ijsberen neemt af, in sommige delen met 22 procent sinds de jaren tachtig. Op basis van deze populaties, en de door het IPCC voorspelde trend van klimaatverandering, besloot IUCN de ijsbeer als ‘bedreigd’ te verklaren.

De studies in deze regio’s, uitgevoerd door biologen van de Canadian Wildlife Service en de US Geological Survey, liegen er niet om. In de regio werd een afname in conditie geregistreerd via verminderd lichaamsgewicht. Er spoelden verdronken ijsberen aan. De zomerperiodes zonder zeeijs werden langer, waardoor beren langer aan land moesten leven. Fischbach zag hoe de vrouwtjesberen de winterholen waarin ze jongen baarden, verplaatsten van zeeijs naar land. Werd eerder tweederde van alle jongen op zeeijs geboren, nu kwam tweederde op het land ter wereld.

Deze ‘slechte’ ijsbeerregio’s zijn tevens de best bestudeerde regio’s, dankzij het relatief grote aantal Amerikaanse en Canadese biologen. Ook Amstrups studie over de wereldwijde teloorgang van ijsberen leunde voor meer dan 60 procent op de populatiegegevens uit de Alaska-regio. De reden is van praktische aard: van een groot deel van Groenland en Rusland ontbreken simpelweg betrouwbare populatiegegevens over meerdere jaren. Aars verklaart desgevraagd dat het moeilijk is in Rusland toestemming voor onderzoek te krijgen.

Volgens critici ontstaat er nu een vertekend beeld. De bekendste criticus is de Canadese ijsbeerbioloog Mitchell Taylor. Hij volgde dertig jaar lang de ontwikkeling van ijsbeerbestanden in de Canadese provincie Nunavut, en was lid van de Polar Bear Specialist Group. Hij zag de ijsbeerpopulatie in de Davis Strait, tussen Nunavut en Groenland, sterk toenemen: van negenhonderd in de jaren tachtig naar tweeduizend nu. In Conservation Magazine verklaarde hij in 2007 met mede-criticus Lee Foote, arctisch bioloog van de Universiteit van Alberta, dat bescherming op basis van klimaatprognoses geen hout snijdt, en juist averechts werkt. Je raakt daarmee namelijk de goodwill kwijt van de lokale Inuit. Bij vier van de vijf teruglopende populaties, waaronder die van Alaska en de Westelijke Hudsonbaai, spelen niet alleen milieucondities een rol, maar ook legale overbejaging door Inuit van zowel ijsberen als zeehonden. Zonder medewerking van Inuit vallen geen goede afspraken over jachtquota meer te maken.

De ijsbeerondergang voorspellen op basis van wereldwijde klimaatprognoses is ook om klimaattechnische redenen twijfelachtig. Hoewel klimaatverandering een wereldwijd verschijnsel heet, zijn er grote regionale verschillen. In de Noordelijke Beaufortzee trad tot 2005 geen merkbare zeeijsreductie op en de ijsberenpopulatie lijkt hier stabiel. Eén van de redenen dat vaak ‘local warming’ optreedt, is dat zeeijs smelt door toestroom van warm zeewater en toenemende zonnestraling, niet door atmosfeertemperatuur.

‘In gebieden waar de temperatuur daalt, kun je een afname van zeeijs zien, en omgekeerd kun je in warme gebieden het zeeijs zien toenemen’, licht Aars toe. ‘Op Spitsbergen warmt bijvoorbeeld de westkust op dankzij warmer zeewater en dus verdwijnt daar zeeijs. Maar aan de oostkust is niets van die opwarming te zien. Ook is het lastig lokale trends in zeeijsbedekking vast te stellen: zeeijs wisselt altijd sterk per jaar.’

Om het ingewikkelder te maken: studies zoals die van Ian Stirling van de Canadian Wildlife Service, in 1997 in Ecology of Arctic Environments, toonden aan dat juist na strenge winters het aantal ijsbeervrouwtjes met jongen dramatisch afneemt. Het pakijs voor de kust is dan in het voorjaar dikker, waardoor de zeehonden verder uit de kust blijven, buiten bereik. Zeehonden leven alleen onder dun kustijs tot dertig centimeter dik. Anders kunnen ze geen ademgaten openhouden. In strenge winters kan het ijs met ruim anderhalve meter aangroeien, zoals afgelopen jaar in Canada.

Koffiedik
Is het einde dus nabij voor de ijsbeer? De Canadese paleobiologe Susan Crockford van de Universiteit van Victoria stelt dat ijsberen ook het Holocene klimaatoptimum overleefden, 9000 jaar geleden. Toen was het 2,5 graad warmer dan nu, lokaal zelfs tot 7 graden, en de temperatuur steeg in dertig jaar sneller dan in de IPCC-scenario’s voor deze eeuw. Ook de Middeleeuwse warmteperiode, toen de Golfstroom een graad warmer was dan nu, deed de beren niet verdwijnen.

Prognoses over wereldwijd berenwelzijn op lange termijn lijken dus koffiedikkijken. ‘Minder habitat leidt tot minder ijsberen’, zegt Aars desgevraagd. ‘Maar hoe minder betrouwbaar de meetgegevens zijn, hoe onnauwkeuriger je voorspellende model wordt. Je moet bij een voorspelling van ijsbeerpopulaties in 2050 aannemen dat de populatietrends en klimaatveranderingen die je nu meet, over een halve eeuw nog op precies dezelfde manier verlopen. Je hebt dus een grote foutenmarge.’

Een veilige conclusie is dat lokale toe- of afnames geen afspiegeling hoeven te zijn van mondiale trends. Wel staat vast dat het ijsbeerterritorium voorlopig niet groeit. ‘Het leefgebied waarop ijsberen zijn aangepast, wordt snel kleiner als de trend van smeltend zeeijs net zo snel verloopt als tussen 2002 en 2007’, zegt ganzenbioloog Loonen. ‘Dat afsmelten ging sneller dan klimaatmodellen hadden voorspeld. Ook neemt het aantal aanvaringen met mensen toe, nu er steeds meer mensen in poolstreken wonen en werken. IJsberen en mensen gaan slecht samen.’

Ook al herstelt het ijs zich volgens satellietmetingen nu licht, als de met geweer bewapende mens het arctische gebied koloniseert, is de ijsbeer hoe dan ook bedreigd. Die constatering zal voor sommige organisaties een geruststelling zijn.

Kader: Global cooling?
De hoeveelheid arctisch zeeijs bereikte in de nazomer van 2007 een historisch dieptepunt, sinds satellietmetingen in 1979 van start gingen. Het dieptepunt volgde op een trend van versneld afsmelten die in 2002 inzette. Maar volgens diezelfde satellietmetingen groeit de arctische zeeijsbedekking weer, na het beroemde dieptepunt van 2007. Ook bleek de zeeijs-afname overschat met een oppervlak ter grootte van Spanje, vanwege een sensorfout van de satelliet. Hoewel de opwarming publiciteit blijft krijgen, laten metingen zien dat de gemiddelde wereldtemperatuur zich sinds 1998 stabiliseert. Er bestaan echter grote regionale verschillen. Die stabilisatie, ondanks een stijgende CO2-concentratie, was niet door het IPCC voorspeld.