bionieuws 5, 14-03-2003
achtergrond
Ontsnapt aan de greep van uitgevers, reviewers en hypes
Hebben papieren tijdschriften hun langste tijd gehad en is de toekomst aan internet? Of is de macht van toonaangevende bladen niet te breken? Over pdf-bestanden, impactfactoren en het vergelijken van appels en peren.
Door Rinze Benedictus
© bionieuws
Dankzij een gift van negen miljoen dollar start halverwege dit jaar de non-profit uitgeverij Public Library of Science, PLoS, met het uitgeven van twee tijdschriften voor en door wetenschappers, PLoS Biology en PLoS Medicine. Het is de bedoeling dat de tijdschriften gratis online voor iedereen toegankelijk zijn. Auteurs draaien op voor de financiering van de tijdschriften, zij moeten gaan betalen om een stuk te plaatsen. Maar ze behouden wel de auteursrechten van hun artikelen.
De bedoeling van PLoS is de publicatie van wetenschappelijk artikelen te bevrijden van het juk van commerciële uitgevers. Die verdienen veel geld met dure tijdschrift-abonnementen terwijl wetenschappers de inhoud daarvan de leveren. Maar wetenschappers kunnen niet om de uitgevers heen, want publiceren is een wetenschappelijke must.
Een internettijdschrift dat het juk al afgeworpen heeft, is Conservation Ecology. Artikelen in Conservation Ecology worden niet gedrukt, ze zijn via de website als pdf-bestand verkrijgbaar. Net als straks bij PLoS zijn de artikelen ook nog eens gratis voor iedereen toegankelijk, het tijdschrift haalt inkomsten uit het bedrag dat auteurs moeten betalen als ze een artikel willen plaatsen.
Bruno Ens, gedragsecoloog bij Alterra/Texel, is lid van de editorial board van het tijdschrift. Hij ziet de voordelen van een puur elektronisch tijdschrift wel in. ‘Ik merk zelf dat ik steeds meer een hekel aan papier krijg’, vertelt hij. ‘Ik vind het heel makkelijk om overdrukjes als pdf-files op mijn harde schijf te bewaren. Ik kan sneller artikelen terugvinden dan via papieren mapjes. En het scheelt ook bomen, maar of dat opweegt tegen de extra stroom die je gebruikt...?’
Overigens valt het de gedragsecoloog niet mee collega’s te laten publiceren in het tijdschrift. De impactfactor is niet hoog genoeg, het kost geld om een artikel te plaatsen en digitaal publiceren heeft het nog niet helemaal. ‘Als het niet gedrukt is, lijkt het toch minder echt’, verklaart Ens. ‘Maar het zou mijn gok zijn dat dat een kwestie van wennen is. Maar het gaat langzamer dan ik gedacht had.’
Conservation Ecology bestaat al sinds 1997 maar heeft sindsdien weinig navolging gekregen. Misschien is helemaal digitaal publiceren wel een bijzondere niche. Zo is de uitgever van het online journal The Resilience Alliance, een organisatie die zich volkomen onafhankelijk wilde opstellen om haar boodschap uit te dragen. Namelijk dat het ‘ecologisch heel slecht gaat met de planeet’, in de woorden van Ens. ‘Daar sta ik helemaal achter. Ik vind het dan ook goed dat juist dit soort wetenschap - op het grensvlak tussen ecologie, sociale wetenschappen en beleid - voor iedereen toegankelijk is.’
Krenten
Niet gratis maar wel digitaal is het online review-systeem Faculty of Thousand, F1000. Dat publiceert zelf niets, maar speelt slim in op de overweldigende hoeveelheid literatuur. Impactfactoren zorgen al voor een schifting tussen tijdschriften, maar dan blijft er nog steeds heel veel te lezen over. Abonnees van F1000 worden door wetenschappers geattendeerd op in het oog springende publicaties. Meer dan duizend biologisch georiënteerde wetenschappers kennen elke maand aan een artikel dat hun opviel een vlaggetje toe: recommended, must read of exceptional. Het artikel krijgt vervolgens een label: Novel finding, Technical advance, Interesting hypothesis, Important confirmation, Controversial findings. Natuurlijk worden de artikelen ook inhoudelijk onderverdeeld. Bijvoorbeeld in de Faculty Biochemistry, sectie Protein folding of Faculty Microbiology, sectie Innate immunity.
F1000 is een peer review-systeem dat experts de krenten uit pap laat vissen. Impactfactoren wijzen wel - als het ware - het deel van de pap aan waar de meeste krenten zitten, maar dan blijven er nog steeds veel uit het zicht. F1000 probeert alle krenten naar boven te halen. De virtuele faculteit doet dat heel expliciet met de categorie hidden jewels. Daarin staan aanbevolen artikelen uit less widely read specialistische tijdschriften die de meeste wetenschappers dus gemist zullen hebben.
Eén van de duizend wetenschappers die speuren naar opvallende artikelen is Sybren de Hoog van het Centraalbureau voor Schimmelcultures in Utrecht. Hij is één van de ruim twintig Nederlandse deelnemers aan F1000 en hij is enthousiast. ‘Het is tamelijk ongelofelijk, maar het werkt goed. Het is een soort readers digest. Je mag artikelen uitzoeken die je zelf leuk vindt - uit elke denkbare krant. Ze stimuleren het juist om gekke dingen omhoog te halen.’ Doordat zijn vakgebied - schimmels - niet zo bekend is, zijn al verschillende van de artikelen die hij aandroeg tot hidden jewel gepromoveerd.
Het is de bedoeling dat de ruim duizend leden van F1000 twee artikelen per maand aandragen. De Hoog: ‘Omdat ik me daar zo braaf aan houd, heb ik voor alle collega’s al een abonnement verdiend. Sympathiek is ook dat je labs uit ontwikkelingslanden mag aanbevelen voor een gratis abonnement.’
Hypes
De Hoog vindt F1000 een welkome aanvulling op het bestaande tijdschriftenaanbod. De aandacht voor high impact journals heeft namelijk serieuze nadelen, legt hij uit. ‘Je creëert hypes waar iedereen achteraan loopt. De dreiging van bioterrorisme bijvoorbeeld. Maar inmiddels gaat daar wel veel geld naar toe, dus dan moet je wel meedoen. Andere hypes? Tja, de buren, het Hubrechtlaboratorium. Niet echt een hype, maar het ligt wel erg goed in de markt.’ De Hoog doelt op het RNA-interferentie-onderzoek van Plasterk en collega’s.
Wel gevraagd maar nog niet actief bij F1000 is Ton Bisseling, moleculair plantenbioloog aan Wageningen UR. Hij is wel actief voor Science, hij helpt de redactie bij het selecteren van de aangeboden artikelen. Van zo’n 100 tot 150 stukken per jaar geeft hij aan of hij het onderzoek vernieuwend genoeg vindt voor Science. De onderwerpen variëren van moleculair tot ecologisch, maar beperken zich, op Bisselings verzoek, wel tot de plantenwetenschappen. Zijn commentaren geeft hij een cijfer mee tussen de nul en de vijf. ‘Dat geeft aan in hoeverre ik me zeker voel over mijn oordeel.’
Bisseling vindt niet dat de aandacht voor high impact journals zoals Science bepaalde vakgebieden onrecht doet. ‘Als een vakgebied een belangrijke ontwikkeling doormaakt, dan komen die resultaten erin.’ In de ecologie vindt hij bijvoorbeeld dat de recente terugkoppeling tussen kennis over planten in modelsystemen en veldproeven de aandacht krijgt die het verdient.
Logischerwijs vindt Bisseling het dan ook terecht dat onderzoekers afgerekend worden op de impactfactoren van de tijdschriften waar ze in publiceren. ‘Het heeft een sturend effect op de financiën.’ Subsidies gaan op deze manier naar vernieuwend onderzoek.
Stalinisme
Iemand die niets op heeft met de waardering voor hoge impactfactoren is de Utrechtse ecofysioloog Hendrik Poorter. Hij vindt die waardering ‘Stalinisme ten top’. ‘Je staat op de tribune met de belangrijke mensen, dus ben jij ook belangrijk.’ Maar dat hoeft helemaal het geval niet te zijn, legt Poorter uit. Een analyse die hij uitvoerde wees uit dat de helft van alle artikelen ouder dan tien jaar minder dan tien maal geciteerd waren. Dat gold zowel voor toonaangevende als middelmatige tijdschriften. Veel artikelen verstoffen dus gewoon, al hebben ze soms een gouden rand door het chique tijdschrift waar ze in staan.
Secretaris Wim de Leijster van de onderzoeksschool Experimental Plant Sciences (EPS) onderschrijft dat. ‘Je kunt nog zo’n mooi artikel schrijven, als niemand het citeert, dan heb je het voor Jan met de korte achternaam geschreven.’
De Leijster voerde een citatieanalyse uit van EPS-wetenschappers. Behalve de hoogte van publicaties liet De Leijster daarbij ook zwaar wegen hoe vaak een artikel geciteerd is. ‘Er bestaat namelijk geen honderd procent correlatie tussen hoog publiceren en vaak aangehaald worden. Ook een artikel in Plant Journal wordt niet altijd geciteerd.’
Bij de analyse moest De Leijster verschillen in citatiecultuur tussen vakgebieden ondervangen. De impactfactor van een tijdschrift wordt berekend door het aantal keren dat alle artikelen van de afgelopen twee jaren geciteerd zijn te delen door het aantal verschenen artikelen in diezelfde jaren. Als de impactfactor hoog is, wordt er vaker verwezen naar artikelen in dat tijdschrift. Hoe hoger de impactfactor, hoe groter de invloed van een blad is. De omloopsnelheid en de mate van citaties liggen in de biomedische, moleculaire hoek echter veel hoger dan bijvoorbeeld in de ecologie. ‘Zelf probeer ik te kijken of onderzoekers de beste tijdschriften in hun speeltuin bereiken.’
Poorter plaatst een kritische kanttekening bij dergelijke analyses. ‘Neem nou de publicatiewaarde die mijn onderzoeksschool berekent. De impactfactor van het tijdschrift wordt daarbij gedeeld door het aantal deelnemers aan een artikel. Als ik samen met negen anderen een stuk in Nature publiceer, levert mij dat drie punten op: bijna dertig gedeeld door tien. De hoogste ecologische tijdschriften hebben een impactfactor van 3 tot 4, gemiddeld ligt het rond de 2. Dat betekent dat ik beter met een stuk in Nature kan meefietsen, dan een zelf jaar lang ecofysiologisch onderzoek doen en dat publiceren in een hoog ecologisch tijdschrift.’
De nadruk op impactfactoren gaat dus ten koste van de ecologie, stelt Poorter. Hij legt dat uit aan de hand van een collega die in Gent werkt bij het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Die wordt geacht louter te publiceren in tijdschriften met een impact factor van vijf of hoger. Poorter: ‘Voor zijn collega’s die aids- en kankeronderzoek doen is dat misschien een reëele eis, maar voor hem als plantenbioloog blijven er maar drie journals over. Managers vinden het prachtig om werknemers af te rekenen op hoge scores, maar dit is echt een heel erg slechte ontwikkeling.’
Binnen een vakgebied is de impactfactor van een tijdschrift een goede indicator van de kwaliteit van artikelen, geeft Poorter toe. ‘Maar het vergelijken van aids-onderzoek met werk aan tulpenbollen dat is appels met peren vergelijken. Dat kán niet.’
Kader:
22 Nederlandse leden van de Faculty of Thousand
Ton Bisseling (WAU) Plant Biology Plant-biotic interactions
Rolf Boelens (UU) Structural Biology Experimental biophysical methods
Sybren de Hoog (CBS Utrecht) Microbiology Medical microbiology
Willem de Vos (WAU) Microbiology Industrial & food microbiology
Pierre De Wit (WAU) Plant Biology Plant-biotic interactions
Frank Grosveld (EUR) Developmental Biology Developmental molecular mechanisms
Marten Hofker (UM) Genomics & Genetics Animal genetics
Judith Klumperman (UMCU) Cell Biology Membranes & sorting
Jan Kok (RUG) Microbiology Industrial & food microbiology
Wil Konings (RUG) Microbiology Environmental microbiology
Ben Lugtenberg (LU) Microbiology Environmental microbiology
Reina Mebius (VU) Immunology Immune response
Gerard Muyzer (TUD) Microbiology Environmental microbiology
Ben Oostra (EUR) Genomics & Genetics Medical genetics
Andy Pereira (PRI) Plant Biology Plant genomes & evolution
Cristian Picioreanu (TUD) Microbiology Environmental microbiology
Dirk Roos (CLB) Immunology Innate immunity
Sjef Smeekens (UU) Plant Biology Plant biochemistry & physiology
Hergen Spits (UvA) Immunology Leukocyte development
Gerrit van Meer (UU) Cell Biology Membranes & sorting
GJB van Ommen (LUMC) Genomics & Genetics Medical genetics
Oliver Weichenrieder (NKI) Structural Biology Structure: RNA
|